10 Tips hoe je een goed bewegend paard kunt herkennen?

Vaak zijn we al zo gewend geworden aan de manier van lopen van ons paard dat het niet eens meer opvalt wanneer er een afwijkend bewegingspatroon ontstaat.

Want een paard dat er goed uit ziet voor ons, kunnen we meestal wel herkennen. Maar een paard dat fit, gezond en met gemak beweegt hoe kun je dit nu herkennen? Als we elk onderdeel apart gaan bekijken lukt het ons vast beter om een volledig beeld te kunnen krijgen van een goed bewegend paard.

 

1 Algemene indruk

Als jij naar je paard kijkt in beweging klopt dan het beeld dat je hebt bij de leeftijd van je paard.
Een 18+ paard zal anders bewegen dan een jong paard van 4j. Een jong paard hoort speels, vitaal en energiek te zijn. En met het grootste gemak te versnellen. Een ouder paard gaat veel rustiger, stijver en gemoedelijker zijn.

 

2 Gezonde voedingsconditie

– Hoe is de bodyconditionscore van je paard? Is hij eerder te dik of te dun?
Een paard dat erg zwaar en doorvoed is draagt teveel gewicht mee wat op termijn overbelasting op de gewrichten in de onderbenen kan veroorzaken. Niet alleen dat maar teveel gewicht mee dragen zorgt er ook voor dat het paard sneller vermoeid word en meer moeite moet doen om te bewegen.

– Een paard dat te mager is krijgt niet voldoende voedingsstoffen binnen om zich te voorzien in zijn basisconditie die nodig is en om een natuurlijke aanleg voor spieren te ontwikkelen. Het is dus belangrijk dat je paard afhankelijk van de arbeid dat hij verricht een afgestemd voerprogramma krijgt. Want een natuurlijke aanleg voor bespiering helpt om het paard te leren bewegen in een houding die gunstig is voor je paard en hem behoed voor blessures.

 

3 Natuurlijke houding en bespiering.

Een paard dat in stilstand al op de voorhand leunt en 1 achterbeen ver achter de massa plaatst zal in beweging ook erg op de voorhand bewegen en de achterbenen erg stuwend gebruiken.
Hij laat in stilstand zijn buikspieren hangen waardoor zijn rug hol getrokken word.
Vaak hebben deze paarden onvoldoende hals en rugbespiering. Een natuurlijke aanleg van bespiering heeft als voordeel dat de bovenlijn  trainen veel gemakkelijker gaat.

Ongemak in de achterhand kan ervoor zorgen dat het paard het pijnlijk vind om zijn gewicht goed te verdelen over zijn 4 benen. Of een paard dat minder flexibele gewrichten in de achterhand heeft bekken, knie , spronggewricht en kogelgewrichten buigt minder goed en treed minder goed onder de massa. Het geeft een beeld dat het paard loopt in 2 of 3 stukken voor- midden- achter. En je wil graag een aaneengesloten paard zien bewegen waarbij je het gevoel hebt dat de volledige beweging van voor tot achter een aaneenschakeling is van energie die stroomt.

 

4 Het paard stapt vlot en actief mee aan de hand en verandert moeiteloos van richting mee.

Wanneer we een paard aan de hand begeleiden. Vaak doen we dit van stal naar de wei of richting de poetsplaats om hem op te tuigen. Krijgen we al een eerste indruk over de souplesse van het paard dat hij van nature heeft. Een paard dat je op sleeptouw mee moet nemen loopt vaak heel stroperig en heeft geen actieve stap. Een actieve stap of tred is nodig om een actieve achterhand te ontwikkelen.
Wanneer we een draad van de wei openen, het paard door de uitgang leiden en de draad terug dichtdoen en ons paard een klein ronde laten maken, hoort deze vlot en gemakkelijk mee te draaien.
Paarden die dit goed kunnen op beide kanten plaatsen het binnenachterbeen goed onder de massa door. Afwijkingen zoals stroperig meelopen en moeite hebben met scherpe wendingen zelfs in stap bij het begeleiden zijn een eerste teken dat het paard ergens beperkt is.

 

5 Achterhand beweging versus schoudervrijheid

Aan de longe willen we dat het paard mooie vlotte grote actieve passen laat zien. Ideaal is om te zien dat het paard zowel met zijn achterbenen ruim beweegt als ook met ruime passen vanuit zijn schouders kan bewegen. Wanneer het paard voor in zijn schouders met kleine passen beweegt.
Word de energie die vanuit de achterhand ontstaat en doorstroomt via de rug geblokkeerd in de voorhand. Het paard hoort vrij te bewegen in zijn schouders om zijn hele lichaam goed te kunnen gebruiken.

In de achterhand willen we een optimaal kantelen van het bekken waarnemen en een flexibele buiging in het spronggewricht.
De schouderligging is bepalend waarin het voorbeen gestrekt kan worden. Punt van de schouder naar de grond is de maximale strekking van de zwaaifase van het voorbeen.

 

6 Het paard draagt de hals minstens horizontaal of laat deze gemakkelijk vallen.

In de training willen we na streven dat het paard zijn gewicht goed verdeelt over zijn 4 benen. Naarmate het paard sterker word en beter gaat dragen willen we dat de voorhand lichter word en het paard nog meer gewicht op de achterhand gaat plaatsen.
Dit is enkel mogelijk als het paard loopt met een aangespannen bovenlijn. ( bolle bovenlijn)

Het paard dat zijn rug laat vallen en hol trekt, is funest voor de wervelkolom en ongetwijfeld loopt het paard met een gespannen rug rond dat hem pijn op levert en op de voorhand laat vallen.

Een rug die horizontaal of licht bol word gedragen in de beweging is een rug die los kan bewegen. Hij laat de energie die achter word opgewekt door het actief doorlopen, vloeiend doorstromen via de wervelkolom naar de voorhand. Een voorwaarde om een lichte bolling in de rug te bekomen is dat het paard actief zijn buikspieren gaat aanspannen.
Zonder buikspieren geen goed rug gebruik en geen actief tredende achterhand.

 

7 De overgangen stap – draf- galop en alle mogelijke combinaties hiervan zijn vlot en niet beperkt. ( afhankelijk van het trainingsniveau)

Een goed bewegend paard en dat genoten heeft van een goede africhting. Zal vlot reageren op het maken van overgangen. Het moet zo zijn dat een drijvende hulp mits het in fases word aangegeven voor het paard moeiteloos te volgen is. Omdat het paard vrij is van ongemak of pijnlijkheden heeft hij de intentie om de aanwijzingen goed te kunnen opvolgen en reageert hij vlot op de hulpen.
Hij moet zich niet eerst bij mekaar sprokkelen om de overgang naar draf of galop te kunnen maken.
Want het paard is alert en heeft een bepaalde ontspannen aanspanning die gedurende een training word gevraagd om te kunnen reageren op voorwaartse en zijwaartse hulpen. Een goed bewegend paard kan dit met gemak opbrengen.
Een paard met ongemak of pijnlijkheden zal altijd aanmoediging nodig hebben om voorwaarts te bewegen. Of bij een overgang terug, vaak meteen doodvallen in de overgang.

 

8 De paslengte is ruim en over 4 benen gelijk.

Een goed bewegend paard maakt aan de voorzijde ruime grote krachtige passen waarvan de energie naar voren stroomt en niet in de grond. De voorwaartse en achterwaartse zwaai moeten gelijk zijn. De achterhand moet net als de voorbenen ruim naar voren en richting het zwaartepunt stappen.
Het zwaartepunt bevind zich ter hoogte net achter de singelruimte daar waar de ruiter zit op de rug van het paard. Elk paard heeft zijn eigen paslengte die gebaseerd is op zijn exterieur. Zo zal een flexibelsportpaard of sportpony veel gemakkelijker landen in of over de afdruk van de voorhoeven. Dan een paard dat gebouwd is met andere doeleinden dan flexibel en lichtvoetig bewegen. Maar juist gefokt is om zware trekkracht te kunnen leveren.

Is de afdruk van het instappen van de achterhoef ongelijk dan is het noodzakelijk om uit te zoeken vanwaar de ongelijkheid ontstaat. Als je goed kijkt zul je altijd enig verschil bemerken dit heeft te maken met de links of rechtsgebogenheid van je paard. Echter wanneer het verschil beperkt is valt daar aan te werken en word het verschil vanzelf minder wanneer het paard sterker en soepeler word.

 

9 Op de volte zien we een minimale lengtebuiging.

Het paard buigt minimaal mee met de volte. En blijft in balans lopen.
En laat al een bepaalde souplesse zien. Hij valt niet op binnenschouder of brengt zijn achterhand niet overmatig naar binnen of buiten.
Op een simpele volte zullen de sporen van de binnenhoefafdruk en de buitenafdruk evenwijdig en parallel moeten lopen. Dwz dat de afdruk van de achterhoeven in de afdruk van de voorhoeven landt

Vraag je extra buiging van het binnenachterbeen om het paard aan te moedigen tot meer dragen en buigen van de heup en het spronggewricht dan landt de afdruk onder het zwaartepunt.
Een goed bewegend paard loopt mee met de buiging en loopt niet als een plank door de bocht.

 

10 Een goed bewegend paard laat deining in de hals, schoft, rug en si-gewricht zien.

Als alle voorgaande 9 punten goed uitgevoerd worden door het paard.
Dan kun je dit terug zien in de totale beweging en dan wil je graag een paard zien bewegen dat los door zijn lijf beweegt.

Stap:

De hals beweegt in stap dan met een voorwaartse neerwaartse deining bij elke pas dat het paard naar voren zet. De beweging in stap is een 4 tact en begint bij linksachter- linksvoor- rechtsachter- rechstvoor.

De schoft heeft evenzeer een bepaalde beweging. En zal een opwaarts voorwaartse beweging tonen omdat de buik-borst spieren goed gebruikt worden en het paard niet in zijn cervicale thorocale overgang hangt. ( hals-schoft- borst- romp overgang) = houding

De wervelkolom, de rug maakt bij elke pas een afwisselende beweging. Namelijk een aanspanning en een ontspanning hol-bol. Het streven is dat de bovenlijn bol is, toch zul je in de beweging zien dat deze op en neer beweegt daarnaast kun je in de wervelkolom ook nog een rotatie zien die vergelijkbaar is met een slingerklok.

Wanneer het binnenachterbeen naar voor treed word de buik naar buiten geslingerd wanneer het buitenachterbeen naar voor komt word de buik naar binnen geslingerd. Je hebt dus een verticale en horizontale beweging.

De lendenen bewegen deinen naar boven en gaan terug naar een horizontale stand . Deze gaan niet hol worden. Dit is de plek waar het meeste laterale buiging kan plaats vinden en buiging van het bekken.

Het bekken kun je zien vanaf de valse heup richting de zitbeenknobbel. Een goed openend bekken brengt het lendegebied naar boven en de knie naar voren. Het paard beweegt dan met actieve passen. Een paard dat sleept en sloft heeft een heel beperkte bekkenactiviteit.

Draf:

In draf zien we veel beweging in de wervelkolom en weinig beweging in de hals.
Omdat de beenzetting een diagonale beweging is en een 2 tact met een zweefmoment.

Linksachter-rechtsvoor Rechtsachter-rechtsvoor
Hier kun je dus wel aan de beengewrichten zien hoeveel schwung een paard van nature heeft. Een paard met veel vering buigt verder door in zijn kogelgewrichten.

Het geeft mooie verende passen. Het bekken hoort evenveel links als rechts te bewegen. En de staart deint is hetzelfde ritme mee.

Galop:

De galop is een drietakt met een zweefmoment deze gang is niet symmetrisch. Er is een linkergalop en een rechtergalop. Bij de linkergalop grijpt het linkervoorbeen meer vooruit en bij de rechtergalop grijpt het rechtervoorbeen meer vooruit.

Het is belangrijk dat het paard mooie grote sprongen voorwaarts en opwaarts maakt waarbij de achterhand zakt en de voorhand verlicht word. Wanneer het paard het niet goed doorspringt met voldoende activiteit ontstaat er een 4tact galop.
Het bekken word in de galop het meest geactiveerd van allemaal en moet dus goed openen, buigen en terug keren.

De ideale oefening om je paard los te houden in het si-gewricht.

 

Samenvatting:

Een goed bewegend paard loopt in feite heel bewegelijk, ruim en gemakkelijk.
Je zult veel vering, en lichtheid kunnen herkennen in de passen. En veel souplesse in de horizontale en verticale beweging van de wervelkolom.

Maar elk paard heeft zijn eigen bewegingspatroon dat gebaseerd is op zijn exterieur en temperament.
Het streven naar een zo ruim mogelijke beweging die past bij de bouw van het individuele paard is het uitgangspunt voor mij.
Een compacte koudbloed beweegt helemaal anders dan een sportpaard dat gebouwd is op souplesse.
Maar beide kunnen allebei correct bewegen en de meest mogelijke beweging laten zien die binnen hun mogelijkheden ligt.

Heel ruim bewegende paarden zijn niet altijd even comfortabel om te berijden. Het word een ware kunst om als ruiter de bewegelijkheid van de gangen van het paard op te vangen en door te laten stromen in je eigen gewrichten.
Een paard met compacte bewegingen geeft als ruiter een veel meer horizontaal gevoel en is gemakkelijker om je eigen balans op te bewaren.

Voor elk van de 2 valt wat te zeggen.

Een paard dat van nature een goede aanleg voor bespiering heeft is gemakkelijker te trainen heeft meer souplesse en beweegt ook beter zonder dat we hier nog maar enige invloed hebben op uitgevoerd.

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: